3. Medeleerlingen en 4. Begeleiding

In de basisschool zijn extra functies geschapen om de afstand tussen aanbod en vraag  in de klas te verkleinen, zoals een intern begeleider en een remedial teacher. Zij hebben de opdracht het kind terug te brengen bij het aanbod.

Leerlingen, zowel jong als oud, willen werken op een manier die aansluit bij hun eigen maat, dat wil zeggen bij hun eigen talent,tempo en temperament ze denken dat ze dat ook kunnen. Ze denken dat ze een veel grotere autonomie en eigen verantwoordelijkheid aankunnen dan de school veronderstelt.

docenten en de klassikale methoden (die soms minutieus voorschrijven) beschouwen “leren” als een proces van receptie. Leerlingen ervaren “leren” echter als een proces van actie en vragen daarvoor ruimte. In het eerste geval staat de eigen activiteit van de docent centraal in het onderwijsleerproces. In het tweede geval is de docent bemiddelaar geworden. Hij staat niet voor de klas, maar naast zijn leerlingen.

Er is geen vanzelfsprekend vertrouwen in het feit dat leerlingen elkaar kunnen helpen ( zij ervaren elkaar als steunbron) en dat ze kunnen samenwerken. Wel buiten “het werk”, maar niet als er gespeld en gerekend moet worden.

Hier wreekt zich het grote verschil in de visie die leerlingen op leren hebben en de visie die leraren hierop hebben. Leerlingen hebben een behoorlijk inzicht in wat wel en niet bevorderlijk is voor hun leerproces. Hun leraren maken hiervan niet of nauwelijks gebruik en volharden in een gedateerde definitie van onderwijs: onderwijs als overdracht van kennis (instructie, meestal col­lectief) die vervolgens wordt gereproduceerd (zelfstandig werken). Kortom: leerkrachten beschouwen het onderwijs vooral als een activiteit van henzelf. Leerlingen ervaren het omgekeerde. Zij beschouwen onderwijs vooral als een activiteit van zichzelf, waarbij zij de leraar weliswaar nodig hebben, maar pas als zij daar zelf om vragen. De leraar die controle wil houden over wat er gebeurt, zal zich logischerwijs gemakkelijk overbelast voelen, is altijd gehaast en voelt zich bedrukt wanneer (onvermijdelijk) blijkt, dat hij geen zorg biedt, terwijl hij die zo graag wél zou bieden.

Bij het onderwerp medeleerlingen zijn 3 thema’s te onderscheiden:

–          vriendschappen

–          ondersteunen/ helpen

–          samen leren en werken

Kinderen vinden het belangrijk om op school vrienden te hebben. Daarnaast helpen kinderen elkaar graag in de klas en vinden dat ze veel aan elkaar kunnen hebben. Tot hun spijt ervaren kinderen dat er in de klas vaak niet geholpen mag worden. Ze begrijpen daar niets van en vinden dat vervelend. Kinderen helpen elkaar niet alleen graag, maar vinden ook belangrijk dat dit gebeurt. Ze vinden het belangrijk om elkaar te ondersteunen als het moeilijk is , als het niet lukt. Over gewoon samenwerken hebben kinderen het ook veel. Ook dat mag niet altijd van de docent. Ze proberen dat te begrijpen, maar dat wordt ze vaak niet echt duidelijk. Het idee dat je minder leert, komt waarschijnlijk voort uit het verbod op afkijken en overschrijven. Kinderen denken vaak dat samenwerken niet mag om de kans op afkijken te verkleinen. Belangrijk voor de docent is daarom dat hij de kinderen bijbrengt het verschil tussen helpen en voorzeggen. De docent helpt het kind hier zich bewust te worden van (eigen )leerprocessen en zich hier verantwoordelijk voor leren voelen. Leren is hiermee geworden wat het daadwerkelijk dient te zijn; Het kind leren leren.

Maar docenten kunnen eigenlijk ook niet anders; leren en werken doe je in beginsel alleen en daarop is het systeem ook ingericht. Je doet het op eigen kracht en de docent kan behulpzaam zijn. Maar dingen samen doen is voor kinderen heel gewoon. Je helpt elkaar zeker als je ziet dat iemand in de puree zit. Op school is dit ongebruikelijk. Kinderen kunnen elkaar op schoo aldus niet als steunbron leren ervaren. Het systeem, de orde voorziet daar niet in. Het hangt van de leraar af of het mag of niet. Het hangt dus van het toeval af of je mag helpen of om hulp mag vragen.

Leerlingen zien elkaar als steunbron terwijl leraren “elkaar helpen en samenwerken” zien als een goede kans om het werk door een ander te laten doen, als een mogelijkheid om te ontsnappen aan de eigen leertaak.