2. De les

Klassikaal onderwijs, waarbij ruimte voor activiteit, initiatief en eigen regie beperkt is. Er is een dwingend karakter van het dagritme van de klas. Leerlingen moeten veel wachten en het ontbreekt hen aan keuzemogelijkheden. Leerlingen laten merken dat zij behoefte hebben aan afwisseling in het dagprogramma. Zij beschrijven klassensituaties die eentonig en voorspelbaar zijn.

Klassikale instructie vormt aanleiding voor leerlingen om aan ruimte voor zichzelf te gaan denken. Leerlingen zijn goed in staat te bepalen of ze bepaalde instructie nodig hebben of niet. Het belangrijkste in dit geval is dat de docent beschikbaar blijft voor hulp.

Wachten is voor leerlingen een belangrijk thema. Veel leerlingen hebben het gevoel vaak te moeten wachten in de klas. Ze moeten bijvoorbeeld vaak wachten op de klassikale instructie va de leerkracht. Ze mogen niet beginnen voordat er instructie gegeven is. En de sneller leerlingen mogen niet verder, maar moeten wachten tot hun langzamer lerende klasgenoten zich de stof ook eigen hebben gemaakt.

Docenten maken leerlingen op deze wijze van hen afhankelijk, van hun controle en zijn daarmee het zicht kwijtgeraakt op waar het om gaat. De leerling is niet het lijden of meewerkend voorwerp in onderwijs, maar het onderwerp van zijn eigen ontwikkeling. Het is daarom dat een docent de leerling eigenaar dient te maken van zij eigen ontwikkeling. De manier om dit te verwezenlijken is gelegen in het geven van keuzevrijheid. Wat, wanneer, met wie, waar, waarmee en op welke wijze door de leerling zelf laten bepalen, is het durven loslaten van de leerling en de behoefte aan controle van het leerproces. Dit houdt in dat een docent het individuele kind dient te accepteren zoals het is. Het kind moet zichzelf kunnen zijn en zich ook als zodanig aanvaard en gewaardeerd voelen. Acceptatie betekent dan voor docenten dat zij vrij zijn van oordelen over hun leerlingen.

Wat leerlingen belangrijk vinden is een docent die hen weet uit te dagen en te motiveren. De docenten lijken ingedeeld te kunnen worden in actieve en passieve docenten. De passieve docenten zijn docenten die weinig doen om de les leuk te maken. Dit wordt door leerlingen niet gewaardeerd. Actieve docenten kunnen weer in twee groepen ingedeeld worden: docenten die dat op een aantrekkelijke manier doen en docenten die dat niet doen. Docenten die op een aantrekkelijke manier actief zijn, zouden ook activerend genoemd kunnen worden. Zij bedenken aantrekkelijke werkvormen of kunnen op een aantrekkelijke manier vertellen. Dit zorgt voor meer motivatie bij leerlingen. De docenten die op een voor leerlingen minder aantrekkelijke manier actief zijn, zijn veel en op een saaie manier aan het woord.

Leerlingen vinden het belangrijk dat een docent goed kan uitleggen. Het tegendeel komen ze regelmatig tegen: docenten die onbegrijpelijk uitleggen, of veel te lang.

Naast het geven van goede uitleg is de goede docent bereid om het steeds opnieuw uit te leggen, net zo lang tot je het snapt. Onder goede uitleg wordt verstaan : veel voorbeelden geven , een interessant verhaal vertellen, op een aardige manier uitleg geven, duidelijk zijn, op verschillende manieren uitleg geven en niet te lang uitleggen.

Nauw samenhangend met het belang van de balans tussen werken en vrijheid is de behoefte van leerlingen aan afwisseling. Ook afwisseling zorgt ervoor dat lessen minder saai worden. Afwisseling in werkvormen, lesstof, vakken en docenten.

Leerlingen vinden het belangrijk om in de les tijd te krijgen om te werken. Ze vinden het vervelend als een docent te veel aan het woord is.. Leerlingen vinden het belangrijk dat een docent beschikbaar is voor hulp en uitleg, maar in veel gevallen bepalen ze liever zelf wanneer ze de docent nodig hebben.

“Leuk”onderwijs heeft te maken met:

–          luisteren en serieus genomen worden ( over en weer)

–          samen ontwerpen en aparte dingen doen

–          uitproberen en vertrouwen krijgen

–          opdrachten geven waarbij ze moeten nadenken

–          ruimte geven om verantwoordelijk te mogen zijn

–          betrokken zijn ook door samen te leren

–          vanuit eigen interesse voelen dat het belangrijk of bruikbaar is

–          zelf iets moeten doen en antwoord zoeken op zelfgestelde vragen

–          eisen durven stellen en streng zijn

Betrokkenheid of verbondenheid door:
–          zinvolheid van de interactie

–          match van vraag en aanbod

–          match van inspanning en resultaat