Onderwijsprogramma

  1. Het OnderwijsprogrammaIn deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze de leerinhouden aansluiten bij de ontwikkelingsbehoefte van de leerling en hoe dit wordt georganiseerd in de dagelijkse praktijk.

4.1                                 De 3 uitstroombestemmingen
Binnen het vso worden de volgende 3 beschreven uitstroombestemmingen herkend en breed geaccepteerd:

  1. Een uitstroom naar vervolgonderwijs: mbo, hbo en woDeze groep leerlingen zullen beperkt vertegenwoordigd zijn op “de Steiger”.
  2. Een uitstroom naar baan of beroep
    Al dan niet met certificering (branchegericht) of kwalificering (binnen de kaders van het mbo)

    Voor deze leerlingen is het behalen van een diploma vo niet haalbaar, maar kunnen wel worden toegeleid naar de (regionale) arbeidsmarkt.

  • Sommigen kunnen worden toegeleid naar Sociale Werkvoorzieningen.
  • Anderen kunnen worden toegeleid naar werk in een regulier bedrijf met of zonder jobcoaching
  • Sommigen kunnen bovendien een branche erkende certificering of zelfs kwalificatie op mbo-niveau 1 behalen.
  1. Toeleiding naar dagbesteding , al dan niet arbeidsmatig ingevuldEr zijn een aantal leerlingen voor wie toeleiding naar arbeid in een bedrijf niet haalbaar is, maar die wel kunnen worden toegeleid naar beschermde arbeid (is soms in sociale werkvoorziening) of naar dagactiviteitencentra, al dan niet met arbeidsmatige activiteiten.
    Her onderwijs zal bij deze leerlingen gericht zijn op persoonlijke ontwikkeling, redzaamheid en (al dan niet arbeidsmatige) dagbesteding.
    Bij de uitstroom moeten de leerlingen kunnen starten op een werkplek- en/of in een dagactiviteiten centrum. Het verwerven van de competenties daarvoor zal niet alleen binnen de school, maar ook buitenschools moeten gebeuren.
    voor veel leerlingen uit deze groep zal het volledig zelfstandig wonen niet weggelegd zijn.

Er zijn leerlingen die zich op de grens bevinden tussen twee uitstroombestemmingen en er zijn leerlingen waarvan de uitstroombestemming nog niet helder te krijgen is.  Leerling-gerichtheid en maatwerk zijn mede daarom de uitgangspunten bij de Steiger.  Denken en handelen vanuit de leerling en zijn/haar specifieke onderwijsbehoefte is daarmee het belangrijkste kenmerk van “de Steiger”. De leeromgeving wordt zo flexibel mogelijk aangepast aan de behoefte van de individuele leerling;

  1. Een variatie aan vormen van praktijkleren , leren op de werkplek en vormen van stages zijn mogelijk binnen/buiten de school.
  • De verhouding onderwijstijd op school versus buitenschools praktijkleren is flexibel, zodat er optimaal maatwerk geleverd kan worden. Want bij elke leerling past iets anders. Er wordt pas stage gelopen vanaf de leeftijd van 15 jaar(bovenbouw).
  • Stages worden gezien als een onderdeel van het onderwijs. De match tussen leerling en stagebedrijf wordt hier als belangrijkste gezien en de formele accreditatie van het stagebedrijf is niet perse nodig.
  • Bij een stageplek waarbij kwalificatie behaald kan worden (mbo niveau 1 of aka), dan is accreditatie van stagebedrijf wel verreist.
  • “de Steiger” hanteert de volgende  criteria voor de (kwaliteit van de) stageplekken:
    • Er bestaat een duidelijke omschrijving van stagebekwaamheid/stagerijpheid van de leerling
    • Er is een nauwe relatie met het uitstroomperspectief
      niveau van uitstroom en arbeidsrichting/sector
    • Er is sprake van een veilige werkomgeving (fysieke veiligheid en sociale veiligheid)
    • Goede match tussen werkmeester en leerling
    • De leerling wordt in staat gesteld om te leren (niet alleen maar routineklusjes doen)
    • Een bedrijf van een familielid van de leerling als stageplek wordt afgeraden
    • Het stagebedrijf voert een aanwezigheidsregistratie
    • De school is (eind)verantwoordelijk voor stagebegeleiding; school kan stage-jobcoach inhuren.
  1. De onderbouw (<15 jaar) en de bovenbouw (>15 jaar) verschillen;
  • De onderbouw besteedt  meer tijd aan schoolse vaardigheden dan aan de praktijkvakken en de praktische vaardigheden staan meer in het teken van ontdekken.
  • De bovenbouw besteedt  meer  tijd aan de praktijkvorming dan aan de schoolse vaardigheden en de praktijkvorming staat in het teken van toeleiding naar een baan of beroep al dan niet met certificering of kwalificering.

4.2          Kerndoelen VSO

Op dit moment zijn er geen kerndoelen geformuleerd voor het vso. Men is voornemens om de referentieniveaus voor taal en reken van toepassing te laten zijn op vso leerlingen. Doel van de referentieniveaus is om doorlopende  leerlijnen binnen en tussen schooltypen te kunnen vormgeven.

referentieniveau Fundamentele kwaliteit Drempel
1 F Eind po Van po naar vo
2 F ( = 1 S ) Eind vmbo Van vmbo naar mbo
3 F ( = 2 S ) Eind mbo-4 en havo Van vo en mbo naar hbo
4 F ( = 3 S ) Eind vwo Van vo naar wo

Op dit moment wordt nog nader onderzocht welk referentieniveau moet gelden voor leerlingen die binnen het vso kunnen worden gekwalificeerd op mbo niveau 1 en op welke wijze de referentieniveaus worden gehanteerd. Vooralsnog wordt voor hun gedacht aan referentieniveau 1 F, met 2 F als streefniveau.
Referentieniveaus en “de Steiger”

  1. Leerlingen die direct en zonder kwalificatie/certificering naar arbeid worden toegeleid, mogen niet “struikelen” over de referentieniveaus. Voor deze leerlingen moet een referentieniveau als “streefniveau” worden gehanteerd.
  2. Deelname aan het arbeidsproces en aan de maatschappij vereist bepaalde functionele taal- en rekenvaardigheden, ook op het niveau van ongeschoolde of laaggeschoolde arbeid. Deze minimale eisen zijn terug te vinden in het onderwijsaanbod.
  3. Niveaubepaling en daarmee gepaard gaande inrichting van leerinhouden en organisatie van het onderwijsprogramma zal mede plaatsvinden aan de hand van de referentieniveaus.

4.2.1      Kwalificatiestructuur educatie

Kwalificatiestructuur educatie

Een kwalificatiestructuur is het geheel van begin- en eindtermen dat door de overheid is vastgesteld voor een bepaald stelsel van onderwijs en opleidingen. De bedoeling ervan is meervoudig: een kwalificatiestructuur maakt het mogelijk herkenbare en herhaalbare resultaten te meten, goede afstemming en doorstroom te realiseren en standaarden te creëren ten behoeve van de ‘afnemers’ van opgeleiden.

KSE 1 /  -1F

Competenties op dit niveau hebben betrekking op verschillende elementaire vaardigheden voor algemeen maatschappelijk functioneren. Ze zijn vooral zinvol voor mensen die weinig profijt hebben gehad van jeugdonderwijs of bij wie de elementaire vaardigheden zijn weggezakt. Ontwikkeling op dit niveau is ook van belang voor mensen die het Nederlands niet voldoende beheersen, ongeacht hun verdere kennis en vaardigheidsniveau.

Kse 2 / 1 F

Competenties op dit niveau stellen iemand in staat de assistent-opleiding in het secundair beroepsonderwijs (KSB1), functietrainingen van een laag niveau op de werkplek en daarmee vergelijkbare leertrajecten van organisaties voor arbeidsvoorziening te volgen.

Kse 3 / 2F

KSE 3 is min of meer vergelijkbaar met de basisvorming in het VMBO. Beheersing op KSE 3 biedt toegang tot basisberoepsopleidingen BOL en BBL in het secundair beroepsonderwijs.