Doelgroep

Doelgroepbeschrijving
Het is gebruikelijk om de mate van een verstandelijke beperking te bepalen door een IQ-score in combinatie met een beperkte sociale zelfredzaamheid. In de internationale literatuur wordt hiervoor een IQ tussen 55 en 70 aangehouden, terwijl in Nederland de bovengrens is opgerekt naar een IQ van 80. De weergave in een score of classificatie speelt weliswaar een belangrijke rol, maar niet de enige rol bij de diagnose- en indicatiestelling. Om een behandelaanbod op maat, passend bij de hulpvraag van de jongere, aan te kunnen bieden is het belangrijk om naast het IQ juist vast te stellen wat de verstandelijke beperking voor consequenties heeft op het functioneren in de (sociale) omgeving van de jongere. Een aantal kenmerken van LVG jongeren, waarin vooral dit onderscheid

een rol speelt zijn:

  • De jongeren zijn weinig gericht op exploreren, acties worden wel gestart,maar niet afgemaakt. Ook helpt het exploreren onvoldoende om het ontbrekende op te nemen in het bekende. Zo blijft het verschil tussen eigen leefwereld en de buitenwereld groot.
  • Het leren is vooral situatiespecifiek en minder abstract, het denken is gericht op het hier-en-nu. Het blijkt moeilijk voor hen om zich te verplaatsen in situaties die ver afstaan van de eigen belevingswereld.
  • Er zijn verschillen in de efficiency waarmee de basale cognitieve processen uitgevoerd worden. Het tempo waarmee de mentale operaties worden uitgevoerd is laag. Het zoeken van bekende items duurt langer, de reactietijden zijn langer. Bij geheugentaken is de prestatie minder, als gevolg van een geringere efficiency bij het identificeren van de stimulus en het ordenen ervan. Het gevolg is dat leren meer moeite kost en meer tijd.
  • Vaardigheden die gebruikt worden bij het oplossen van problemen (zoals de uitkomst checken, de volgende stap plannen, de effectiviteit van een activiteit volgen, testen, herzien en evalueren van de eigen leerstrategieën) zijn bij deze jongeren minder goed ontwikkeld. Het blijkt nodig om die vaardigheden expliciet te trainen.
  • Daarnaast zijn licht verstandelijk gehandicapte jongeren minder in staat tot spontaan gebruik van strategieën. Concreet zal de jongere minder profiteren van ervaringen en instructies die niet expliciet gegeven worden.
  • De taalvaardigheden, het denken in taal en het praten in zichzelf is minder goed ontwikkeld. Deze vaardigheden zijn ondersteunend bij het denken, leren en problemen oplossen.

Wat betreft IQ begrenzing gaat de discussie vooral over de groep tussen de 70 en 80. Vooral bij deze groep moet gekeken worden naar de leerontwikkeling, ontwikkelingspotentieel en sociale redzaamheid, om ze al dan niet in te delen bij de LVG groep. Het gaat daarbij vooral om de volgende karakteristieken:

  • Het zelfbeeld is onrealistisch, zij grijpen te hoog en leggen bij tegenslag de schuld buiten zichzelf.
  • De schoolvorderingen blijven achter; het potentieel wordt dus niet gerealiseerd (rendementsverlies).
  • Ze zijn sterk gericht op sociale bekrachtiging (positieve reactie tendens) of weren die juist sterk af (negatieve reactie tendens). Beide tendensen hangen samen met de ervaring in hun leefomgeving.
  • Er is sprake van een grote impulsiviteit in denken en handelen. Je zou kunnen zeggen dat het gedrag van deze jongeren vooral het gevolg is van wat er om hen heen gebeurt, ze zijn niet zelfsturend.
  • De jongeren zijn gericht op concrete bekrachtiging, op direct waarneembare gevolgen van hun gedrag. Het werken aan doelen op lange termijn blijkt moeilijk haalbaar.
  • Vanwege het vele falen in het verleden verwachten zij nauwelijks meer succes en zijn zij eerder geneigd falen te vermijden dan succes na te streven en in te gaan op nieuwe uitdagingen.
  • Ook op het vlak van emoties en relaties blijken deze jongeren weinig flexibel. Ze houden vast aan het bekende en vertrouwde. Ze vertrouwen meer op anderen dan op hun eigen kunnen. De genoemde grotere positieve reactietendens leidt tot overafhankelijkheid.
  • Ervaringen worden aan concrete situaties gekoppeld en blijken nauwelijks vertaald te worden in algemene termen.

Ernstige gedrags- en psychische problemen komen bij licht verstandelijk gehandicapte jongeren veel vaker voor dan bij jongeren zonder een verstandelijke beperking. Schattingen lopen uiteen van drie tot zeven maal zo vaak als in de rest van de populatie. Opgemerkt moet worden dat de term gedragsproblemen niet altijd eenduidig wordt gehanteerd. Over het algemeen wordt bedoeld dat de omgeving het gedrag moeilijk te hanteren vindt. Bij de groep LVG jongeren die binnen de JeugdzorgPlus voorzieningen verblijft, wordt een brede range aan verschillende soorten gedragsproblematiek gezien. De problemen zijn vaak complex en er zijn vele mengvormen.
De gedragsuitingen zijn verschillend:

  • fysiek en verbaal agressief gedrag (zowel daders als slachtoffers).
  • Nogal eens is er sprake van een irreëel zelfbeeld, van overschatting of is er sprake van minderwaardigheidsgevoelens, soms gepaard gaande met suïcidale neigingen
  • Jongeren met een licht verstandelijke handicap hebben sterk de drang erbij te willen horen.. Die drang is sterker dan bij normaal begaafde adolescenten. Vaak zullen ze zich stoer en groot voordoen om hun onzekerheid te camoufleren en om opgenomen te worden in de groep.
  • Het kan ook voorkomen dat jongeren met een licht verstandelijke handicap vanwege hun negatieve zelfbeeld en zelfvertrouwen meer moeite hebben met het opbouwen en onderhouden van sociale contacten. Ze kunnen een mikpunt zijn voor spot en worden gemakkelijker voor het karretje van anderen gespannen. Een mogelijk gevolg hiervan is dat LVG jongeren weinig contacten hebben buiten de eigen kring van voornamelijk familieleden en andere vrienden en weinig vrijetijdsbesteding in groepsverband ondernemen, waardoor zij geïsoleerd kunnen raken .

De belangrijkste knelpunten/ handicaps waarmee de VSO- leerkracht te maken heeft in de dagelijkse praktijk van het onderwijs is het beperkte vermogen van dit type cluster 4 leerling. Er is sprake van een licht verstandelijke beperking met als kenmerk een disharmonisch profiel in het cognitief functioneren, disharmonisch in gedrag, een verschil tussen vaardigheden en beleving (moeizame sociaal emotionele ontwikkeling).  Er zijn grote achterstanden en hiaten in de beheersing van de leerstof van de basisschool. Deze jongeren hebben vaak een didactisch leeftijdsequivalent (DLE) van 30 of lager, wat betekent dat ze een lees-,schrijf- en rekenniveau hebben vergelijkbaar met basisschool eind groep vijf of lager.

Om doelen daadwerkelijk haalbaar te maken is een zeer grote tijdsinvestering nodig, o.a. bestaande uit hoge frequentie van uitnodigen en herhalen. In de verwachting dat deze strategie van inslijpen een proces opgang brengt waardoor het geleerde een automatisch presentatie geeft van hetgeen dat  als leerstof is aangeboden.