Basisklimaat

3.            Basisklimaat

3.1          Methodisch handelen in het onderwijs
Met methodisch handelen wordt bedoeld de manier waarop docenten jongeren begeleiden, nieuwe vaardigheden leren, reageren op gewenst en ongewenst gedrag en hoe zij handelen bij incidenten en crisissituaties. De nadruk ligt op het leren van nieuw en gewenst gedrag. Hiertoe krijgen de jongeren veelvuldig feedback op adequaat gedrag. Nieuw gedrag wordt geleerd door instructie (visueel ondersteund), veelal gevolgd door voordoen en oefenen. Bij het stoppen van inadequaat gedrag wordt zoveel mogelijk geprobeerd het alternatieve (adequate) gedrag te instrueren. Met andere woorden: de docenten geven aan wat jongeren wel moeten doen in plaats van wat zij niet moeten doen. Bij moeilijke situaties wordt het ongewenste gedag zo spoedig mogelijk omgebogen om onnodige escalatie te voorkomen. De ingezette technieken om gedrag stop te zetten en om te buigen zijn zo licht mogelijk en ook hier heeft instructie van gewenste gedragingen de voorkeur.  Het onderwijs van LVG jongeren met gedragsproblemen vraagt meer tijd, flexibiliteit en energie dan onderwijs van gedragsproblematische jongeren met een gemiddelde intelligentie, zeker gezien het feit dat er daarnaast problemen zijn in de informatieverwerking. Veel herhaling en vaardigheden aanleren op diverse manieren is noodzakelijk. Het valideren en veranderen van gedrag kost extra inspanning en vraagt om specifieke kennis. Het aanleren van vaardigheden bij LVG jongeren vraagt om extra ondersteuning bij: het ontlasten (van het werkgeheugen), het oefenen (informatie in lange termijngeheugen vastzetten) en het ondersteunen (het werkgeheugen helpen). Daarbij is een aantal aspecten van groot belang in het methodisch handelen van leraren. Zo moeten zaken stapsgewijs uitgelegd worden, waarbij eenvoudige concrete taal gebruikt wordt. Veel herhaling is gewenst en op diverse manieren zal dezelfde leerstof opnieuw aangeboden moeten worden. Van belang is zo min mogelijk abstracte situaties te bespreken en vaardigheden aan te leren daar waar ze gebruikt worden of nodig zijn (training on the spot).

In de praktijk werkt dit als volgt:

  1. Er wordt veel structuur geboden zowel op groeps- als op individueel niveau, dat zichtbaar is in de vorm van eenduidige klassenregels en dagelijkse regels. Daarnaast wordt er een strak voorspelbaar dagrooster gehanteerd.
  2. De leerlingen in de klas worden zoveel mogelijk individueel aangesproken omdat groepsopdrachten niet altijd aankomen.
  3. Er wordt op individueel niveau aangesloten bij de specifieke interessegebieden en de sterke kanten van de leerlingen, om vanuit dit stukje zekerheid de grenzen te verleggen en iets nieuws te durven proberen.
  4. Werkmomenten worden afgewisseld met ontspanningsmomenten.
  5. Visuele ondersteuning, afspraken, activiteiten en dagelijkse gebeurtenissen zijn zichtbaar gemaakt in een centraal geplaatst roosterbord.

3.2                         Leerkrachtvaardigheden

De leerkracht dient affiniteit met de doelgroep te hebben. Hij moet over geduld beschikken, weinig verwachtingen hebben en toch blijven hopen op verbetering, hoe gering dan ook.

De leerkracht kan zich verplaatsen in het perspectief van de leerling. Hij moet de cognitieve en de motivationele status van de leerlingen kennen om met hen te kunnen werken.

De leerkracht is in staat om in verschillende mate structuur (d.w.z.: beheersen, uitnodigen of loslaten) aan te bieden passend bij de situatie en de leerling; Aan de ene kant zal hij een zeer gestructureerde omgeving en aanpak moeten bieden en aan de andere kant ook de leerlingen los durven laten daar waar het kan.

De leerkracht heeft kennis en inzicht t.a.v. de problematiek (LVG, adhd,pddnos,cd, etc.) van de leerlingen.

De leerkracht weet hoe om te gaan met agressie.

De leerkracht is in staat om te reflecteren op zijn handelen en kan zijn handelen indien nodig bijstellen.

De houding van de leerkracht moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

  1. Kunnen reflecteren op eigen gedrag en waar nodig bijstellen.
  2. Consequent en voorspelbaar gedrag door middel van orde en regelmaat in de klas.
  3. Rust uitstralen
  4. Een juiste balans tussen nabijheid en afstand
  5. Bewust van het eigen handelen;
    Eigen emoties onder controle weten te houden.
  6. Zoveel als mogelijk belonen van positief gedrag van leerlingen.
  7. Voorstructureren: veranderingen van tevoren aankondigen.
  8. Is in staat om de communicatie aan te apssen aan het ontwikkelingsniveau van de leerling;
    Hanteren van concreet taalgebruik. Geen lange volzinnen.
    Nagaan of de informatie juist is binnengekomen.
  9. Voorbereide en veilige werkomgeving.

3.3                         Inrichting schoolomgeving

De inrichting van de school moet zoveel mogelijk rust uitstralen:

  1. alles moet een vaste plek hebben
  2. overzichtelijke inrichting
  3. leermiddelen geordend
  4. time-out voorziening dient aanwezig te zijn, met zo min mogelijk prikkels
  5. afgekaderd en ingericht ( wat gebeurt waar) schoolplein

3.4                         Programmering

De opbouw van het dagprogramma is elke dag zoveel mogelijk hetzelfde. Leer- en doemomenten wisselen elkaar in blokuren (korte periodes) af, omdat de leerlingen zich niet zo lang achtereen kunnen concentreren.

Gezien hun ontwikkelingsniveau worden er veel activiteiten gericht op praktische vaardigheden aangeboden.

Bij de leerlingen jonger dan 15 jaar zal de verhouding AVO t.o.v. de praktijkvakken 75:25 zijn.
Bij de leerlingen ouder dan 15 jaar zal de verhouding AVO t.o.v. de praktijkvakken 25:75 zijn.
3.5             Klassen / schoolregels

In elke klas zijn dezelfde vaste regels. Deze regels zorgen er voor dat de omgeving voorspelbaar is. Ze sturen het gedrag van de leerlingen.

De volgende regels zijn van toepassing:

  • Tijdens de lesmomenten blijft men in de klas.
    leerlingen hebben een vaste plek in de klas en blijven op hun plaats zitten.
  • Er is maximaal 1 leerling op het toilet
  • Er wordt rustig gelopen in de school
  • Er wordt rustig gesproken in en buiten school
  • We laten elkaar uitpraten
  • Als je hulp nodig hebt steek je je hand op. Als de leerkracht in gesprek is, wacht je tot hij bij je komt

Niet nakomen van de regels

Als regels niet worden nagekomen, wordt er maximaal 2 x gewaarschuwd. Indien de leerling niet luistert, wordt de leerling kort ( 5 minuten ) uit de situatie geplaatst. De leerling blijft in het zicht. De leerkracht herstelt het contact en de leerling gaat verder met de activiteit.
Als deze situatie zich 3 maal voordoet (en niet verbetert) in 1 blokuur, dan wordt de groep ingeschakeld en komt op school. De groep gaat samen met de docent en leerling een gesprek aan over het gedrag van de leerling. Als er duidelijke afspraken gemaakt zijn, kan de leerling verder met de activiteit. Mocht er na maximaal 3 ondersteuningsgesprekken van de groep het gedrag niet verbeteren, dan gaat de leerling naar de groep. De volgende dag kan de leerling instromen middels een gesprek met de school en een pm-er.