Schoolethos

2.1.5        Uitgangspunten schoolethos ORA +
Gemotiveerd zijn:
De leerling zijn ontwikkelingspotentieel en zijn natuurlijke motivatie om zich te ontwikkelen/te leren, daarbij uitgedaagd en ondersteund door de leraar.
Ieder mens is van binnenuit gemotiveerd. Motivatie is er altijd. Het sluit aan bij een natuurlijke behoefte tot beweging, tot leren, tot exploratie.

Verantwoordelijkheid nemen:
Wanneer de motivatie is beschadigd, worden leerlingen passief. De leerling is niet alleen thuis, maar ook op school onzeker of bang. Het heeft de neiging zich terug te trekken of juist te rebelleren vanuit verzet. De leerling voelt in het onderwijs geen uitdaging, hij neemt niet de verantwoordelijkheid voor zichzelf, zijn leren, zijn leven. Dat kan hij alleen wanneer hij in contact staat met zijn intrinsieke motivatie.
Het overnemen van de verantwoordelijkheid van de leerling door de leerkracht doet afbreuk aan de zelfverantwoordelijkheid van deze leerling. De leerkracht laat daarom de verantwoordelijkheid bij de leerling. Hier is veel lef en vertrouwen voor nodig. De leerkracht die bang is afgerekend te worden op de slechte resultaten van de leerling krijgt dit niet voor elkaar. Hij heeft een fundamenteel wantrouwen in de capaciteiten van zijn leerlingen. Wat de leerkracht op ORA + doet, is lef ontwikkelen en vertrouwen hebben en tonen in de capaciteiten van de leerlingen. Hij stelt daarbij ook eisen aan de leerlingen. De leerkracht spant zich in om de leerling zo goed mogelijk door de leerstof heen te loodsen en mag verwachten dat hij daarvoor iets terugkrijgt. Inzet is wel het minste.
Zo ontstaat een leercontact tussen leraar en leerling; een rationele betrekking met duidelijke, uitgesproken, wederzijdse verwachting. Deze betrekking wordt een verbindende kracht. Leerkracht en leerling ontwikkelen wederzijds respect voor elkaar. Op den duur verwerven beiden geloofwaardigheid, authenticiteit en integriteit. De leerkracht vertoont leiderschap gebaseerd op autonomie in plaats van angst. De leerkracht benadert zijn leerling met vertrouwen en stelt rechtvaardige eisen aan hem. Hij helpt hiermee de leerling de zelfmotivatie te behouden en terug te vinden.

Zorgzaam confronteren:
De boosheid die ontstaat in het contact van de leerkracht met de passieve leerling, wordt serieus genomen en functioneel ingezet ten behoeve van de leerling. Ongezouten, heldere feedback op wat de leerkracht waarneemt, wat het gevolg daarvan is. Het is essentieel dat deze harde feedback gegeven wordt in een liefdevolle context; dat de ander met de hardheid ook de liefde en het vertrouwen in hem ervaart. Alleen als we de leerling op liefdevolle wijze een keiharde spiegel voorhouden, hebben we een kans dat we hem bereiken, dat we zijn sprookjes en miskenning opblazen en dat hij zich met een schok bewust wordt van zijn gedrag en bereid is dat te veranderen.

Het gesprek:
In wezen draait alles om het gesprek. Het gaat daarbij om vertrouwen en wederzijds verstaan. Daarbij is de leerling degene die het ontwikkelings- en leerwerk doet en de leraar degene die beschikbaar is om te inspireren en “om mee te praten”, zoals leerlingen dat zeggen.

Reciprociteit:
Reciprociteit, ook wel wederkerigheid genoemd, vormt een belangrijke bouwsteen voor de cultuur van de mensen op de hele wereld. Het is een hele diepe norm dat we teruggeven wat we ontvangen. Reciprociteit zorgt ervoor dat de leerkracht de impact van het eigen gedrag terugziet in het handelen van de ander.
Werken met reciprociteit is de kunst van de professional en de motor van succesvol contact; Hoe beter de leerkracht er in slaagt openheid, respect en veiligheid in de praktijk te brengen, hoe meer leerlingen gaan groeien, hoe beter ze zich houden aan afspraken en hoe makkelijker de leerkracht de leerling aan het werk krijgt.

2.1.6        Onderwijskenmerken ORA+ :

  1. Vertrouwen
  • Er is vertrouwen in de ontwikkeling van de jongeren. Op voorhand biedt de omgeving uitdaging en ruimte. Door dingen over te laten aan de jongeren vertrouwt de leerkracht dat zijn leerlingen verantwoordelijkheid nemen. Hiermee verschuift het accent van moeten (de verplichting van de stof) naar kunnen (doen wat kan)
  • De leerkracht benadrukt het belang van de acceptatie van het individu. Jongeren mogen in de klas zichzelf kunnen zijn en zich ook als zodanig aanvaard en gewaardeerd voelen. Acceptatie betekent voor de leerkrachten, dat zij vrij zijn van vooroordelen over hun leerlingen.
  1. Eigenaarschap
  • Voor leerlingen worden veel problemen vermeden door ze te laten doen wat ze kunnen, door ze veel initiatief te gunnen, door ze een groot, eigen en actief aandeel aan het onderwijsproces te laten leveren en ze er veel verantwoordelijkheid voor te geven.
  • Leerlingen hebben een behoorlijk inzicht in wat wel en niet bevorderlijk is voor hun leerproces. Leerkrachten maken hier gebruik van en beschouwen hiermee het onderwijs als een activiteit van de leerling, waarbij de leerlingen de leerkracht weliswaar nodig hebben, maar pas als de leerling daar zelf om vraagt.
  • De jongeren kunnen kiezen. Jongeren laten zich makkelijker aanspreken op iets wat van hun is, dan op iets wat door iemand anders is opgelegd. Jongeren nemen daar ook gemakkelijker verantwoordelijkheid voor.
  • De leerkracht respecteert dat de jongere zijn eigen ontwikkeling moet realiseren en respecteert zijn uniciteit en eigenheid.
  1. Matching
  • Er is aansluiting tussen wat jongeren voor hun ontwikkeling van hun omgeving verlangen en wat het onderwijsaanbod en heersende schoolethos (met zijn overtuigingen, waarden, normen en regels) bieden. Er is hiermee een goede match tussen de psychologische behoeften van de leerling en de manier waarop er pedagogisch wordt gereageerd; Het bieden van de gelegenheid tot verbondenheid.
  • Jongeren willen werken op een manier die aansluit bij hun eigen maat, dat wil zeggen bij hun eigen talent, tempo en temperament.
  1. Actief en initiatief
  • Er wordt gestreefd naar een eigen en actief aandeel van de jongeren. De leerkracht durft de switch te maken en is daarmee niet altijd “in control”. De jongeren krijgen de verantwoordelijkheid dus werkelijk en voelen dat.
  • Jongeren zijn goed in staat om aan te geven of ze instructie nodig hebben of niet. De leerkracht moet wel beschikbaar blijven voor hulp en de jongeren helpen hun weg te vinden in het maken van de keuzes.
  • Leren wordt niet gezien als een proces van receptie, maar als een proces van actie. De leerlingen hebben hiervoor ruimte nodig. De leerkracht is hierbij een bemiddelaar. Hij staat niet voor de klas, maar naast de leerlingen.
  • De leerkracht staat dicht bij de leerlingen, dicht bij de realiteit van het leerproces zelf, dicht bij de behoeften zoals ze werkelijk bestaan, zodat ze effectief kunnen handelen.
  1. werken en leren in de klas
  • Er is een antwoord op de leerbehoefte van de jongeren. De leerinhouden (keuze van het onderwijs en de moeilijkheidsgraad) en hoeveelheid (werktempo) is per jongere afgestemd en sluit aan bij hun mogelijkheden. Inspanning en resultaat blijven hierdoor gekoppeld, waardoor de jongeren zich blijven inspannen omdat het lonend is. De leerkracht biedt alleen hulp als dat echt nodig is. Bij voorbaat hulp (of uitleg) geven als het al duidelijk is, wordt als volstrekt overbodig gezien.
  • Het schoolwerk wordt aan de jongeren overgelaten. De leerkracht schept de voorwaarden waaronder ze dat kunnen doen. Jongeren ontvangen feedback over het schoolwerk en de geleverde prestaties.
  1. Orde en rust
  • rustverstorend gedrag van medeleerlingen beïnvloedt de sfeer in negatieve zin en leidt anderen van hun werk af. Jongeren met sterk afwijkend en ordeverstorend gedrag worden geïsoleerd van de groep.
  • De leerkracht speelt een grote rol in het handhaven van de orde en rust in de klas. De leerkracht is actief en alert. Straffen geven wordt vermeden en ongewenst gedrag wordt omgebogen tot acceptabel (gewenst) gedrag.
  • Leerkrachten praten met de jongeren over de (goede) gang van zaken in de klas, over voorvallen, over gedrag en conflicten. Op die manier komen ze tot oplossingen.
  • jongeren krijgen de kans om te laten zien wat ze kunnen opbrengen aan initiatief, aan competentie, aan kritisch bewustzijn, zelfregulering en verantwoordelijkheid.
  • de leerkracht is zich bewust van zijn eigen aandeel in de stemming in de klas. De leerkracht schreeuwt niet.
  1. De relatie
  • De leerkracht doet zijn best dicht bij de belevingswereld van de jongere te komen. Door te praten over alledaagse dingen, door goed te luisteren, door proberen jongeren te begrijpen of door geborgenheid te geven. De leerkracht vertoont empathie.
  • De leerkracht maakt tijd om met de jongeren sociaal te praten. Hiermee wordt bedoeld dat ze samen praten over hobby’s of interesses en dat de jongeren hiermee merken dat de leerkracht weet wat zij belangrijk vinden en wat hen bezighoudt.
  • De leerkracht kan troostend, helpend praten als de jongeren problemen hebben. Het gaat hierbij om de betrokkenheid en compassie van de leerkracht. De leerkracht maakt hiervoor tijd vrij, heeft aandacht, oordeelt niet, maar ondersteunt.
  • Jongeren worden aangesproken op een respectvolle en bij hun ontwikkelingsniveau passende manier
  • Jongeren willen onderling vriendschap, geen gedoe, geruzie en gepest. Ze willen elkaar helpen en ondersteunen en samenwerken. De leerkracht stimuleert samenwerken. Jongeren kunnen veel aan elkaar hebben. Door uit te leggen leert een jongere, maar ook door het uitgelegd te krijgen leert een jongere. Deze activiteit vraagt veel begeleiding van de leerkracht om dit in goede banen te leiden.
  • Betrokkenheid en een werkzame, vriendelijke relatie tussen leerlingen en leraren en leraren onderling is de standaard:
  1. Er is wederzijds respect en vertrouwen
  2. leraar en leerling nemen elkaars perspectief serieus
  3. Het aandeel van de leraar in het gesprek is open en responsief/vragend van aard; spiegelend, verhelderend voor de leerling zodat deze op eigen kracht tot inzicht of antwoorden kan komen.
  4. Het aandeel van de leerling is open, reflectief en informatief voor de leraar
  5. De leraar aarzelt niet om emotionele steun te bieden en evenmin om te begrenzen als in zijn oordeel belangrijke waarden in het geding zijn.
  • Het gesprek is hierbij het voertuig voor de ontwikkeling van de schoolethos. Het gaat hierbij om vertrouwen en wederzijds verstaan.